Leestijd: 3 minuten 12 seconden

En tot mijn stomme verbazing zit ik op een dag op slag in de Holland 8. Hoe in hemelsnaam ben ik hier nu beland? Tenslotte ben ik maar een mannetje van 1,85 m, tegen wie nota bene de opdrachtgever van dit stuk, mijn oude coach Jan-Willem van der Wal, al op mijn 16e zei dat ik nooit de top zou kunnen halen. En de andere coaches en de hele roeiwereld waren het daar lange tijd mee eens. Te klein, was het oordeel. Maar ik heb me daar nooit bij neergelegd. ‘Als ’t niet uit de lengte gaat, dan maar uit de breedte’.

Ik wil hier absoluut niet vervallen in borstklopperij of rancuneus gezeur over klein zijn. Dit is slechts ter inleiding om duidelijk te maken waar ik vandaan kom en waar ik naar toe wil. Nee, ik schrijf dit in de hoop dat men doorkrijgt dat wie je bent, waar je vandaan komt, hoe dik je bent, hoe dun je bent, hoe lang je bent, niet uit maakt. Het gaat om wat je kan. En een mens kan veel, als hij ergens zijn zin op zet.

Maar hoe ziet men wat jij kan? Daar zit vaak het probleem. De grote jongens of meiden worden er uitgepikt en lijken al vertrouwen te krijgen voordat ze ook maar iets hebben gedaan. De kleineren moeten zich eerst 23 keer bewijzen voordat ze vertrouwen krijgen van de (bonds)coach.

Maar daarin schuilt juist de kracht van de kleinere of minder bedeelde roeiers, de underdoors. Die hebben zich altijd moeten bewijzen, waardoor ze op kansen moeten loeren en die als een strohalm aangrijpen. Ze weten dat ze verder dan het gaatje moeten gaan om het vertrouwen te winnen van de coaches. Ze presteren in feite beter omdat ze weten dat ze altijd afgerekend kunnen worden op hun gebrek. De grotere roeiers komt het vaker aanwaaien en ze hoeven zich niet meer zo te bewijzen, ze kunnen zich ‘mindere dagen’ permitteren. De langepatatgeneratie van het roeien noem ik ze, of. Daar gaan je de oorlog niet mee winnen. Ze missen vechtersmentaliteit en de bereidheid alles er voor te doen en te laten.

Kleintjes moeten dus altijd meer doen dan de groteren om hun gebrek te compenseren: extra spiermassa kweken, minstens 50 verschillende diëten proberen, spierverscheurende krachttraining doen, geestverruimende boeken lezen, visualisatie en vervolgens de alternatieve sector exploreren: ijszwemmen, ‘s nachts trainen, Finse sauna, infraroodsauna, vasten, ontgiftingskuren,  transcedente meditatie, biofotonentherapie, shiatsu massage, zuurstoftherapie, Tai-Chi. Ook allerlei soorten yoga: poweryoga, hatha yoga, bikram yoga, Ashtanga yoga, kundalini yoga, yin yoga, vinyassa yoga. En verschillende apparaten aanschaffen: massage apparaten, rollers, stretchers, een chi-energizer, blenders, een kiemapparaat, teflonvrije pannen, een aardingsdeken, compressie-kleding, ademhalingstrainers, harstslagmeters, snelheidsmeters, gewichthefschoenen, teenschoenen, een trx-suspension trainer, I did it all. En waarschijnlijk vergeet ik nog een heleboel. Voedingssupplementen en pillen ga ik niet eens opnoemen want dan zijn we morgen nog bezig. Kortom, iemand met een gebrek grijpt alles aan wat hem beter kan maken, zelfs het meest vergezochte. En het mooie is, daar kan je vervolgens ook vertrouwen uit putten: de gedachte dat je er alles aan gedaan hebt.

Vertrouwen is als geld, degenen die het niet hebben, moeten er hard voor werken om het te verdienen. Een roeier met een gebrek krijgt geen gratis vertrouwen. En dat is goed, want wie het vertrouwen met bloed, zweet en tranen heeft verdiend, zit terecht op zijn plek in de boot. Daarnaast zijn degenen bij wie het vertrouwen komt aanwaaien, toch vaak net wat lakser. Dat is hun zwakte. Op het moment dat de reuzen aan het slapen zijn, sla je toe en dan win je. Alle tegenwind die jij hebt doorstaan, maakt je mentaal net wat sterker dan hen. Succes begint echt bij onvoorwaardelijk vertrouwen in jezelf, alles ervoor over hebben en iets extreem graag willen. En, nu ik dit zo teruglees, moet je er misschien ook wel een beetje gek voor zijn…