Leestijd: 3 minuten 12 seconden

(disclaimer: sponsored content)

Sport op het hoogste niveau is mooi om te kijken. Olympische Spelen, WK’s, EK’s, thuis voor de buis of live, miljoenen mensen willen meeleven. Als je sport op dat niveau kijkt, zie je namelijk emotie. Voornamelijk vreugde en teleurstelling. We vinden het blijkbaar prachtig om te kijken naar succes en prachtig om te kijken naar drama.

Ik ben een roeier, maar ik kijk altijd met een schuin oog naar m’n collega’s. Er komt binnenkort een documentaire uit over het Nederlandse topzwemmen. In de aanloop naar de Spelen zijn de zwemmers met onder andere Kromowidjojo, Heemskerk en Weerman gevolgd door een cameraploeg. Waar de ‘buitenzwemmers’ twee maal goud wonnen, haalden de ‘baanzwemmers’ helemaal niks. Het contrast had niet groter kunnen zijn. De documentaire is nog niet uit, maar ik kan nu al voorspellen, dat het mooi wordt om te zien hoe deze sporters omgaan met teleurstelling.

Ik zeg vaak dat de sport mijn grootste leerschool is, omdat het me zo veel heeft geleerd dat ik nooit op school had kunnen leren. Een van deze zaken is het leren omgaan met de teleurstellingen in het leven. We zien weliswaar vaker de succesverhalen, maar iedere sporter krijgt op een zeker moment met teleurstelling te maken. Iedereen die op het hoogste niveau opereert kan dit beamen: de weg naar de top is nooit een rechte lijn. Maar het mooiste is dat de topsport vol zit met verhalen van situaties die hopeloos leken, maar waarin sporters toch doorzetten en op miraculeuze wijze hun comeback maakten. Hoe gaan deze topsporters om met teleurstelling?

Wat maakt hen anders dan ‘normale’ mensen? Het woord stoppen komt niet voor in hun vocabulaire. Waarom? Ze hebben een duidelijk en inspirerend doel en ze zijn bereid om daar alles voor te doen. In de tijd dat het leuk is, maar ook wanneer het tegen zit. In de tijd dat het tegen zit hebben ze nog meer dan voorheen dat doel voor ogen. Maar echte toppers weten dat ze van hun tegenslagen moeten leren, daardoor komen ze zelfs beter terug. Ze weten: een tegenslag is een cadeautje verpakt in lelijk cadeaupapier.

Vijf weken geleden sloeg het noodlot toe, ik brak op trainingskamp m’n voet. Met grote gevolgen: zes weken gips, niet roeien en een belangrijk selectiemoment missen, het NK. Maar natuurlijk laat ik me hier door niet op m’n kop schijten. Ik ben meteen gaan zitten met m’n fysieke trainer Johan Versluis en we hebben het probleem bekeken. Ik hou ervan om een probleem op te lossen door vragen te stellen. De vraag die we ons stelden: hoe kunnen we dit zo snel mogelijk laten herstellen en tegelijk omtoveren in iets positiefs? De oplossing: zes weken lang alleen het bovenlichaam trainen. We kunnen daar nu extra aandacht aan geven, wat normaal niet kan, omdat ik moet roeien en benen moet trainen. Het gevolg is dat mijn kracht in m’n bovenlichaam extreem snel vooruitgaat. M’n mobiliteit en flexibiliteit worden ontzettend veel beter, wat mijn techniek in de boot straks ten goede gaat komen. Dat is een cadeautje.

Wat doet zes weken krachttraining dan met je lichaam? Ik heb gegeten zoals ik in m’n vorige blog heb beschreven, meer eiwitten, iets minder koolhydraten. Het gevolg is dat ik zie op m’n Tanita dat mijn vetpercentage drie punten is gedaald en m’n gewicht hetzelfde is gebleven. Dat betekent dat ik vet heb verbrand en spieren heb gewonnen. Ik zit nu rond de negen procent vet bij 87 kilo. Dit geeft me straks een gunstigere lichaamsverhouding in de boot, waar iedere kilo telt. Dat is een cadeautje.

Natuurlijk, ik ben ook niet blij als m’n voet breekt. Maar ik heb hier weer waardevolle lessen uit gehaald en zelfs positieve effecten van gehad. Wanneer ik straks in Tokio over de finish kom en jullie zien mij op televisie, dan zijn het deze teleurstellingen die de vreugde alleen maar mooier maken.